Preek 155 – Over de boosaardigheid dat door Aisha was gedragen

0

Over de boosaardigheid dat door Aisha was gedragen; en om de inwoners van Basrah te waarschuwen over wat er komen zou.


In de naam van Allah, de Barmhartige de Genadevolle.

Eenieder die zich in deze tijd aan Allah kan vastklampen, moet dit doen. Als jullie mij volgen, zal ik jullie zeker meedragen, als God het zo wilt, naar het pad van het Paradijs, hoewel het vol zit met strenge ontberingen en een bittere smaak.
Wat betreft een zekere vrouw (1), zij is in de greep van vrouwelijke standpunten, en boosheid kookt in haar boezem zoals de oven van de smid. Als ze zou worden opgeroepen om met anderen om te gaan op de manier dat ze met mij omgaat, zou ze dat niet gedaan hebben. Maar hoe dan ook, haar positie en haar goedheid moet ook hierna haar oorspronkelijke respect behouden, en het oordeel is bij Allah.

Een gedeelte van dezelfde preek
Dit pad is de lichtste koers en de helderste lamp. Toeleiding naar deugdzame daden wordt bereikt door geloof, terwijl leiding naar geloof door deugdzame daden wordt bereikt. Kennis wordt tot bloei gebracht door geloof, en dood wordt gevreesd door kennis. Deze wereld komt ten einde door dood, terwijl de volgende wereld (door deugdzame daden in deze wereld) wordt beveiligd. Er is geen ontkomen aan de herrijzenis voor de mensen. Ze zijn op weg naar deze laatste bestemming in zijn voorbestemde koers.

Een gedeelte van dezelfde preek
Ze stonden op uit hun rust plaatsten in hun graven en hebben zich een weg beven naar de uiteindelijke doelen. Elk huis heeft haar eigen inwoners. Ze worden daar niet veranderd of verplaatst. Aanzetten tot het goede en het afzien van het slechte zijn twee eigenschappen van God, de Geprezene. Ze kunnen noch de dood nabijbrengen, noch levensonderhoud verminderen.

Jullie zouden je aan het boek van God moeten vasthouden omdat het een sterke touw is, een helder licht, een gunstige genezing, een dorstlesser, een bescherming voor de aanhanger en een bevrijding van de aangehechte. Het buigt niet opdat het zich zo recht trekt en het hoeft niet te buigen om zich te verbeteren. Frequentie van herhaling en het (herhaaldelijk) vallen op het gehoor maken het niet oud. Eenieder die volgens (het Boek) spreken, spreken de waarheid en eenieder die volgens (het Boek) handelt, is rechtaan (in handeling).
Een man stond op en zei:

O’ Amir al-mu’minin, vertel ons over deze verstoring en of je erover hebt geinformeerd bij de Heilige Profeet.
Waarop Amir al-mu’minin zei: Toen Allah de Verhevene de vers neerzond:

Alif Lam Mim. Menen de mensen soms dat zij vrij worden gelaten om te zeggen:
Wij geloven zonder dat zij aan beproeving zullen worden blootgesteld?

-De Heilige Koran, 29:1-2

Kwam ik te weten dat de verstoring ons niet zou overkomen zo lang als de Profeet (s) zich onder ons bevindt. Dus ik zei, “O Profeet van God, wat is deze verstoring waarover God, de Verhevene, jouw heeft geinformeerd?” en hij antwoordde, “O Ali, mijn volk zal problemen maken na mij.” Ik zei, “O Profeet van God, op de dag van Uhud, toen de mensen martelaars werden en ik was niet onder hen (onder de martelaars wel te verstaan), en dit was zeer vervelend voor mij, zei je toen niet tegen mij, ‘vrolijk op, omdat martelaarschap voor jou in het Hiernamaals is?’ “ De Profeet antwoordde, “Ja, dat is zo, maar hoe zit het met je verdraagzaamheid op dit moment?” Ik zei, “O Profeet van God, dit is niet de gelegenheid voor verdraagzaamheid, maar eerder een gelegenheid om vrolijk en dankbaar te zijn.” Toen zei hij: “O Ali, de mensen zullen in ellende terechtkomen door hun rijkdom, zullen verplichting tonen aan God op grond van hun geloof, zullen Zijn Barmhartigheid verwachten, zullen zich veilig voelen van Zijn toorn en zullen Zijn onwettige zaken als wettig beschouwen door valse twijfels te creëren en door hun misleidende verlangens. Daarna zullen ze het gebruik van wijn wettig maken door het gerst water te noemen, en smeergeld een geschenk noemen en zullen het nemen van woekerrente verkoop noemen.” Ik zei, “O Profeet van God, hoe zou ik met ze moeten omgaan in die tijd, of het houden van ze om terug te gaan naar ketterij of gewoon in opstand.” Hij zei, ‘”in opstand.”


as-Sayyid ar-Radi zegt:(1) Er is geen ontkenning van het feit dat Aisha’s gedrag tegenover Amir al-Mu’minin heel vijandig was, en heel vaak uitte de troebelheid van haar hart zich op haar gezicht, en haar haat en afkeer werd heel duidelijk, zozeer zelfs dat, indien in verbinding met een gebeurtenis de naam van Amir al-Mu’minin’s opkwam, een frons verscheen op haar voorhoofd en ze geniette er niet van het uit te spreken met haar tong. Bijvoorbeeld, wanneer `Ubaydullah ibn` Abdillah ibn `Oetbah aan ` Abdullah ibn `Abbas de vertelling door Aisha vertelde, namelijk dat “in de dood-ziekte van de Profeet, die op al-Fadl ibn` Abbas steunde en een andere persoon, naar haar (Aisha’s) huis kwam,” `Abdullah ibn` Abbas zei: “weet u wie de ‘andere man’ was” Hij zei: “Nee.” Toen zei hij, “‘Ali ibn Abi Talib, maar ze is er vies van hem in een goede context te noemen.” (Ahmad ibn Hanbal, al-Musnad, vol 6, blz. 34, 228;. Ibn Sa `d, bij-Tabaqat al-Kabir, vol 2, deel 2, blz. 29;.. At-Tabari, At-Tarikh, vol 1, pp 1800-1801;. al-Baladhuri, Ansab al-ashraf, vol 1, pp 544-545;. al-Bayhaqi, als-Sunan al-Kubra, deel 3, blz. 396)…
Een oorzaak voor deze haat en boosheid was de aanwezigheid van Hazrat Fatimah (vzmh) wiens gezonde waardigheid en eigenwaarde haar hart als een doorn prikte. Haar jaloezie jegens de andere vrouwen (van de Profeet) stond haar niet toe dat de profeet van de dochter van zijn andere vrouw zou houden tot een dergelijke mate dat hij op haar aankomst moest staan, zij op zijn plaats moest zitten, haar de meest eervolle van alle alle vrouwen van de wereld moest verklaren en dergelijke liefde voor haar kinderen moest dragen opdat hij ze als zijn eigen zonen moest beschouwen.

Al deze dingen deden haar veel pijn en vanzelfsprekend waren haar gevoelens bij zo’n gelegenheid dat als zij kinderen zou baren, zij de zonen van de Profeet zouden zijn geweest en zij zouden het draaipunt van de liefde van de Profeet zijn in plaats van Imam Hasan en Imam Husayn. Maar ze was niet getalenteerd met een probleem en ze bevredigde haar eigen verlangen om een moeder te zijn door het aannemen van de achternaam Umm `Abdillah (moeder van Abdillah) naar de zoon van haar zus. Kortom, al deze dingen creeerden de passie van haat in haar hart, met als gevolg dat zij constant klaagde bij de Profeet tegen Hazrat Fatimah, maar er niet in kon slagen de aandacht van de Profeet van haar af te leiden.

Nieuws over deze vernedering en vervreemding bereikte ook de oren van Abu Bakr. Dat zou hem alleen maar verstoren omdat hij ook niets kon doen, behalve dat zijn verbale sympathieën met zijn dochter waren. Eindelijk verliet de Profeet deze wereld en de teugels van de regering vielen in zijn handen. Nu was de kans voor hem om zich zo goed als hij kon te wreken en het geweld plegen wat hij in gedachten had. Derhalve was de eerste stap die hij nam, met het oog om Hazrat Fatimah te beroven van haar erfenis, het ontkennen van het principe van overerving in het geval van de profeten en hield verder dat profeten noch erven, noch geërfd worden, maar het pand dat ze verlaten aan de staat toekomt. Fatimah was zozeer beïnvloed dat ze spreken met hem opgaf en ze overleed uit deze wereld met deze gevoelens. `Aisha had niet eens de moeite genomen om verdriet te uiten op haar tragische dood. Dus Ibn Abi’l-Hadid schreef:
Toen Fatimah overleeed, kwamen alle vrouwen van de Profeet naar Bani Hashem om hun condoleances te uiten, behalve Aisha. Zij kwam niet en toonde zichzelf ziek en woorden van haar bereikten Ali welke haar vreugde toonden.
(Sharh Nahj al-balaghah, vol. 9, p. 198).

Zolang ze zoveel boosheid jegens Hazrat Fatimah toonde, hoe kon Fatimah’s echtgenote een vergelijkbare vijandschap en boosheid worden gespaard? Vooral wanneer dergelijke gebeurtenissen zich ook voordeden die zich als een ventilator verspreidden en haar gevoel van haat aanwakkerden, zoals het incident van “Ifk” toen Amir al-Mu’minin tegen de profeet zei: “Zij is niet beter dan de gespen van je schoen, laat haar en scheid haar. “Bij het horen van deze (opmerking) moet Aisha zich ellendig hebben gevoeld in haar bed, en moest ze zo het zwaarste gevoel van haat tegen hem hebben ontwikkeld. Er waren ook momenten waar onderscheid aan Amir al-Mu’minin werd verleend in plaats van Abu Bakr. Bijvoorbeeld, in verband met de verzending van de koranverzen op Bara’ah (onschuld), verwijderde de Profeet  Aboe Bakr uit zijn baan, herinnerde hem en wees het toe aan Amir al-Mu’minin, daarbij zeggend dat hij door Allah was bevolen om het zelf te nemen of en lid van zijn familie te sturen. Vergelijkbaar, zo sloot de Profeet ook alle deuren die naar de moskee openden, waaronder die van Aboe Bakr, maar liet de deur van Amir al-Mu’minin’s huis toe om daartoe open te blijven.

Aisha kon niet genieten van Amir al-Mu’minin’s onderscheid over haar vader, en wanneer er zo’n gelegenheid voor een dergelijk onderscheid mogelijk was, deed ze haar best om het ongedaan te maken. Toen in zijn laatste dagen de Profeet het contingent onder Usamah ibn Zayd beval te marcheren, en Abu Bakr en ‘Umar ook beval om onder zijn (Usamah’s) bevel te gaan, kregen ze een bericht van de vrouwen van de profeet, dat zijn toestand ernstig was en dat daarom het contingent terug moet komen in plaats van verder te gaan. Dit was omdat hun vergaande zicht tot de beseffing was gekomen dat het enige doel in het ontruimen van Medina door de Muhajirun en de Ansar zou kunnen zijn dat na de dood van de profeet niemand in Amir al-Mu’minin’s weg zou staan en dat hij de kalifaat zonder enige moeite kon krijgen. Na ontvangst van dit bericht kwam het contingent onder Usamah terug. Toen de profeet hiervan op de hoogte kwam, beval hij Usamah om weer te marcheren met het contingent en zei zelfs: “Allah kan hem die uit de buurt van het contingent blijft vervloeken,” waarna ze weer op weg gingen, maar ze werden opnieuw terug geroepen tot de ziekte van de Profeet ernstige vormen aannam, maar Usamah’s contingent ging niet naar buiten marcheren omdat het niet wilde. Hierna werd Aboe Bakr het woord verzonden door Bilal dat hij de plaats van de profeet moest vervangen in het leiden van de gebeden, om zo de weg voor zijn kalifaatschap te banen. Dienovereenkomstig, dit in het zicht houdend, werd hij eerst als de plaatsvervanger van de profeet getoond in gebeden en werd uiteindelijk geaccepteerd als zijn kalief voor alle doeleinden. Daarna waren de zaken zo gekunsteld dat Amir al-Mu’minin het kalifaat niet kon krijgen. Echter, na het bewind van de derde kalief namen omstandigheden een zodanige draai dat mensen verplicht waren trouw aan Amir al-Mu’minin te zweren. Bij deze gelegenheid was Aisha aanwezig in Mekka. Toen ze  over Amir al-Mu’minin’s kalifaat horde, begonnen haar ogen vlammen te uit te zenden, en woede en boosheid verstoorden haar gedachten, en haar haat voor Amir al-Mu’minin nam een zodanig ernstigheid aan dat zij in opstand tegen hem kwam met als excuus het wreken van de bloed van dezelfde man (`Uthman) die ze zelf verkondigd had geschikt te zijn om gedood te worden, en verklaarde openlijk de oorlog met als gevolg dat er zoveel bloed was verboten dat de gehele land van Basrah besmeurd werd met het bloed van de slachtoffers, en de deur van verdeeldheid voorgoed geopend werd.
(Sharh, Ibn Abi’l-Hadid, vol. 9, blz. 190-200).


 

Share.

About Author

Ahlalbayt4iedereen

Wij zijn tot uw dienst! Deel deze informatie a.u.b. met uw vrienden en familie. Heeft u een vraag, opmerking of een klacht? Stuur ons via de contactformulier een email. Wij zullen het snel beantwoorden, Dank U!

Comments are closed.