Biografie van Abu Dharr al Ghifari

0

In de naam van God, de Barmhartige, de Genadevolle

Naam: Abū Dhar al-Ghifari al-Kinani

Vader: Junada

Moeder: Ramla bint. al-Waqi’a

Geboortedag: onbekend

Geboorteplaats: Onbekend

Overleden: 32 Hijra ( 652 na Christus)

Overleden in: Al-Rabathah woestijn

De stam van Ghifar was een van de Arabische heidense stammen. Zij leefden in de buurt van Madina al-Munawwari (Yathrib), waar de Mekkaanse handel karavanen langs moesten.
De leden van de stam van Ghifar vereerden een afgod genaamd Munat. Zij geloofden dat Munat kon besluiten wat wel en niet voorbestemd was. Zij bezochten hem en offerden hem vervolgens schapen.

Op een dag ging een arme jongeman genaamd Jundub, behorende tot de stam van Ghifar  naar Munat. Jundub gaf Munat  yoghurt en bleef afwachtend kijken. Munat was echter roerloos en dronk niet van de yoghurt. Kort daarop liep een vos voorbij Jundub. De vos merkte Jundub niet op en dronk van de offering. Daarna urineert hij in het oor van Munat. Tijdens deze taferelen blijft Munat onbeweeglijk. Jundub moet erom lachen en grijnst naar Munat. Vervolgens bekritiseert hij zichzelf dat hij een domme rots heeft aanbeden.
Een rots dat niets begreep van wat er om hem heen afspeelde.

Op zijn terugkeer naar huis, herinnert Jundub zich de woorden die Qais bin Saydah op de Ukadh markt heeft uitgesproken:

“Mensen, hoor en begrijp! Hij die leeft zal sterven! En wie sterft zal vergaan. Toekomstige dingen zullen gebeuren. Waarom zie ik mensen gaan en niet terugkomen? Zijn zij tevreden met het verblijf daar? Of zijn zij iets verloren en dus slapen ze?”

Jundub keek op naar de blauwe, heldere hemel boven de brede woestijn. Hij herinnerde zich wat de vos Munat aandeed. Hij geloofde dat de wereld een groter God moest hebben dan dan Munat, Hoebal, al-Lat en alle andere afgoden. Sindsdien  geloofde Jundub bin Jundah  in de Schepper van de hemel en de aarde.

De zonsopkomst

De mensen van het Boek (De Christenen en Joden) kwamen met goed nieuws over de verschijning van een nieuwe Profeet(s). De Arabische stammen meldden dit goede nieuws. Degenen die de afgoden verafschuwden verlangden naar de komst van de nieuwe Profeet.Op een dag kwam er een man uit Mekka en sprak tegen Jundub:

“Er is een man in Mekka, die zegt dat er geen God dan Allah is en beweert dat hij een Profeet is.” Jundub vroeg hierop: “Tot welke stam behoort hij?”  De man antwoordde: “Hij behoort tot de Quraish.”

Jundub vroeg: “Welke stam van de Quraish behoort hij toe?”

De man antwoordde: “Hij behoort tot Bani Hashim.”

“Wat hebben de Quraish gedaan?”
“Ze hebben hem beschuldigd van liegen. Ze zeggen dat hij een goochelaar is en een krankzinnige.”

De man zei geen woord meer en liet Jundub achter met zijn gedachten.

Anees

Jundub dacht eraan om zijn broer Anees naar Mekka te sturen om hem nog wat nieuws over de nieuwe Profeet(s) te brengen. Anees vertrok naar Mekka. Hij moest honderden kilometers afleggen en keerde al snel terug naar zijn broer om het volgende te vertellen:

“Ik heb een man gezien. De man riep mensen op,  om goed te doen en te voorkomen  het kwade te doen. Hij nodigde hen uit tot aanbidding van Allah. Ik heb hem zien bidden in de buurt van de Ka’aba. Ik heb een jongeman, zijn neef Ali, naast hem zien bidden. Ten slotte heb ik een vrouw, zijn vrouw Khadijah, zien bidden achter hen.”

Anees vervolgde:  “Dit is wat ik heb gezien. Maar ik durfde hem niet te benaderen  omdat ik bang was voor de Quraishi leiders.”
Naar Mekka

Jundub was ontevreden met wat hij hoorde. Hierop besloot hij om zelf op weg te gaan naar Mekka om meer over de Profeet(s) te weten te komen.

Toen de jonge Ghifariaan in Mekka arriveerde, was de zon op het punt van ondergang.
Hij liep rond de Ka’aba en nam vervolgens plaats in een hoek van het heiligdom om uit te rusten en na te denken over een manier om de Profeet (s) te ontmoeten. Ondertussen werd het donker en de Ka’aba liep leeg.

Een jongeman betrad de tuin van de Heilige Moskee. Hij begon rond de Ka’aba te lopen.
De ogen van de jongeman rustten op deze vreemdeling. Hij benaderde hem en vroeg hem op een beleefde toon het volgende:

“U bent een vreemdeling, niet waar?”
De Ghifariaan antwoordde hierop instemmend
De jongeman zei: “Laten we naar mijn huis gaan.”
Jundub volgde de jongeman in stilte.

De volgende morgen bedankte Jundub deze jongeman voor zijn gastvrijheid. Hij nam afscheid en vertrok richting de Zam Zam bron opzoek naar de Profeet(s). De uren verstreken terwijl Jundub wachtte tot het donker werd.

De ontmoeting

Weer kwam de jongeman en weer liep hij rond de Ka’aba. Hij zag de vreemdeling op dezelfde plaats als de avond ervoor.

De jongeman zei tegen Jundub: “Is het niet tijd om te weten waar u woont?”
“Nee!” antwoordde Jundub.
“Kom met me mee naar het huis.”  Jundub stond op en ging met hem naar het huis, in stilte. De jongeman verbreekt de stilte met zijn volgende woorden: “Ik zie dat u denkt, wat is uw behoefte?” Jundub antwoordt hierop voorzichtig: “Ik zal het je vertellen als je belooft het geheim te houden.”

“Ik zal het een geheim houden als Allah het wil.”

Jundub was opgelucht toen hij Allah’s naam hoorde. Hij vervolgde langzaam: “Ik heb gehoord over de verschijning van een Profeet in Mekka en ik wil hem graag zien.”

De jongeman antwoordt glimlachend: “Allah heeft u geleid. Ik zal u laten zien waar zijn huis is. Volg mij op een afstand. Als ik een verdacht persoon zie, zal ik stoppen om mijn slippers te repareren. Dit is een teken voor u dat u niet moet stoppen maar door moet lopen.”
De jongeman liep naar het huis van onze Meester Mohammed (s) met Jundub in zijn kielzog.

Het geloof

Jundub kwam op deze wijze in het huis van de Profeet(s) en ontmoette onze Meester Mohammed (s). Hij was een man die alle goede zeden belichaamde.

Onze Meester Muhammad (s) vroeg zijn gast: “Uit welke stam komt de man?”

Jundub antwoordde: “Uit de stam van Ghifar.”
De Profeet (s) vroeg hierop: “Wat is uw behoefte?”
Jundub vroeg: “Hoe word ik een moslim?”
De Profeet (s) zei: “De islam is het zeggen dat er is geen god dan Allah en dat ik Allah’s Apostel ben.”

“Wat nog meer?”

“Vermijd het verrichten van slechte daden en volg goede manieren. Stop met het aanbidden van de afgoden en aanbid alleen Allah. Verspil uw geld niet  en onderdruk de mensen niet.”

De jongeman geloofde nu in Allah en Zijn boodschapper. Hij zei: “Ik moet bekennen dat er geen God dan Allah is en u Allah’s Apostel. Ik ben tevreden met Allah als mijn Heer en met u als mijn Profeet.”

Met deze woorden is er een grote persoonlijkheid geboren. Het was de persoonlijkheid van de grote metgezel Abu Dharr al-Ghifari wiens volledige naam  Jundub bin Junadah heette.

Abu Dharr stond op en zei enthousiast:  “Bij Allah, ik zal de Islam verspreiden.”

Voordat hij het huis verliet, stelde Abu Dharr onze Meester Muhammad (s) nog een  laatste vraag: “Wie was de jongeman, die mij uw huis toonde?”

De Profeet (s) antwoordde trots: “Dat is mijn neef Ali.”

Onze Meester Muhammad (s) adviseerde hem:  “Abu Dharr, houd de Islam een ​​geheim en ga terug naar je thuisland.”

Abu Dharr realiseerde zich dat Allah’s Apostel bezorgd was over hem, want de Quraish zou  hem doden.

“Bij Allah, ik zal de Islam onder de Quraish verspreiden.”

In de ochtend ging Abu Dharr op weg naar de Ka’aba, Allah’s Heilige Huis. De afgoden waren roerloos op hun plaatsen. Abu Dharr had zijn pad gevonden, terwijl de tirannen van de Quraish nog dachten over de nieuwe religie.

Op dat moment klonk een gedurfde kreet:  “Quraish, ik moet bekennen dat er geen God  is dan Allah en dat Mohammed(s) de boodschapper is van Allah.”

De afgoden en de harten van de polytheïsten schudden bij deze woorden. Een van de Quraish zei luid: “Wie beledigt onze Goden?”

Ze renden richting Abu Dharr en raakten hem hard, totdat hij bewusteloos raakte en het bloed zijn lichaam verliet.

Al-Abbas, onze Meester Mohammed’s neef, kwam tussen hen en redde hem. “Wil je een man die tot de stam van Ghifar toebehoort doden? Weet je niet dat  de handel  van caravans langs zijn stam gaat?”

Abu Dharr herstelde zich en ging naar de Zam Zam bron. Daar dronk hij water en waste hij het bloed van zijn lichaam.

Opnieuw wilde Abu Dharr de Quraish met zijn geloof confronteren. Hij liep naar de Ka’aba. Hij herhaalde luid: “Ik moet bekennen dat er geen God is dan Allah; er is geen partner met hem. En ik moet bekennen dat Mohammed(s) de Apostel van Allah is.” De Quraish vielen hem als wolven aan waardoor hij bewusteloos de grond raakte en al-Abbas hem opnieuw redde.

De terugkeer

Abu Dharr ging opnieuw naar onze Meester Muhammad (s). De Profeet (s) keek hem treurig aan verzocht hem op een vriendelijke toon: “Ga terug naar uw mensen en nodig hen uit tot de Islam.”

“Ik ga terug naar mijn volk en ik zal niet vergeten wat de Quraish mij hebben aangedaan!”

Abu Dharr keerde terug naar zijn stam en begon hen uit te nodigen om het licht van de Islam te zien.  Zijn broer Anees, zijn moeder en de helft van zijn stam geloofden in de Islam. De tweede helft van zijn stam zei: “Wij zullen niet geloven in de islam totdat de Profeet zelf komt.”

De Migratie

Dagen, maanden en jaren verstreken. Onze Meester Muhammad (s) emigreerde van Mekka naar Medina. Het nieuws bereikte Abu Dharr en samen met zijn stam volgden zij hun weg buiten de stad om de Profeet (s) op de weg te ontvangen.

In de verte verscheen onze Meester Muhammad (s) op de rug van zijn kameel, al-Qaswaa. Abu Dharr haastte zich en nam de teugels van de kameel en hij gaf hem het goede nieuws: “Allah’s Apostel, mijn broer, mijn moeder en veel van mijn stam geloven in de islam.”

Onze Meester Muhammad (s) werd blij bij het zien van de mensenmassa. Een van hen zei: “Allah’s Apostel, Abu Dharr heeft ons geleerd wat u hem heeft geleerd. Wij geloven in de Islam en wij hebben uitgesproken dat u Allah’s Apostel bent.”

De andere helft van de stam van Ghifar geloofde in de Islam, net als een ander stam dat zich in de buurt van de stam van Ghifar bevond genaamd Aslam. Zij kwamen en bekeerden zich tot de Islam en spraken uit: “We erkennen dat er geen God dan Allah is en Mohammed is zijn boodschapper.” Onze Meester Muhammad (s) zei: “Moge Allah Ghifar vergeven, moge Allah Aslam besparen.”

De Apostel van Allah(s) ging verder op reis naar Madina (Yathrib). Abu Dharr kwam terug naar zijn stam, waar sommigen van hen hem bevroegen: Heeft Allah’s Apostel iets tegen jou gezegd?

“Ja, hij heeft mij bevolen om zeven dingen te doen. Hij heeft mij bevolen om van de armen te houden en ze te benaderen. Hij heeft mij bevolen om zorg te dragen naar de mensen die lager zijn dan ik en niet voor degenen die hoger zijn dan ik. Hij heeft mij bevolen om nauwe betrekkingen met mijn familie te onderhouden, zelfs als ze mij de rug toekeren. Hij heeft mij bevolen niemand iets te vragen. Hij heeft mij bevolen om de waarheid te spreken, zelfs als het bitter is. Hij heeft me bevolen om niemand in de weg van Allah te vrezen. En hij heeft mij bevolen om het volgende vaak te zeggen: Er is geen macht of kracht, maar bij Allah, omdat zij de schat zijn onder de Troon.” Abu Dharr ging verder met het begeleiden en onderwijzen van zijn stam als een rolmodel in de Islam.

Geef mij raad !

Op een dag kwam Abu Dharr in de moskee. Hij vond onze Meester Muhammad (s) alleen.
Hij ging naast hem zitten . Onze Meester Muhammad (s) zei: “Abu Dharr, de moskee heeft groetingen. Dat zijn twee raka’as.”

Abu Dharr stond op en bad de twee bevolen raka’as.  Na zijn gebed nam hij plaats naast de Profeet(s) en bevroeg hij hem: “Allah’s Apostel, welke daden zijn het beste?”

“Te geloven in Allah, de Almachtige en te streven op Zijn manier.”

“Welke gelovige is de meest perfecte?”

“De meest beleefde.”

“Allah’s Apostel, welke gelovige is het veiligst?”

“Hij, van wiens tong en hand andere moslims veilig zijn.”

“Allah’s Apostel, welke immigratie is het beste?”

“Emigratie van de zondes.”

“Allah’s Apostel, welke aalmoes is het beste?”

“De aalmoezen van de armen.”

“Allah’s Apostel, welke vers is het beste?”

“Het vers van al-Kursi.”

“Allah’s Apostel, hoeveel Profeten zijn er ?”

“124.000 Profeten.  4 van hen zijn Assyrische. Ze zijn: Adam, Sheth, Idrees-de eerste om te schrijven met pen en Noah. En vier Profeten Arabier. Ze zijn Hud, Salih, Shuaib en uw Profeet.”

“Allah’s Apostel, hoeveel boeken heeft Allah, de Almachtige?”

104 boeken. 50 geschriften kwamen omlaag naar Sheth. 30 geschriften kwamen omlaag naar Idrees. 10 geschriften kwamen omlaag naar Ibrahim. 10 geschriften kwamen omlaag naar Musa voor de Tora. De Thora, de Bijbel, de Zaboer en Furqaan (Koran) werden ook  neergezonden.”

“Allah’s Apostel, wat waren de geschriften van Ibrahim (a)?”

“Dat zijn allemaal spreekwoorden: Autoriteit, slaan, verwaande Koning, ik heb je niet naar de dingen van de wereld bij elkaar gebracht. Ik heb je gestuurd met het verzoek van de onderdrukten te voldoen. Je kunt niet weigeren ook al is het de  aanvraag van de ongelovigen.”

“Apostel van Allah, hoe zit het met Musa’s geschriften?”

“Dat zijn allemaal lessen: Ik ben benieuwd naar de persoon die in de dood gelooft maar ongelovig blijft. Ik ben benieuwd naar de persoon die gelooft in het vuur maar toch lacht. Ik ben benieuwd naar de persoon die gelooft in voorspellingen maar toch moe wordt. Ik ben benieuwd naar de persoon die de wereld ziet veranderen en deze toch blijft vertrouwen. Ten slotte ben ik benieuwd naar de persoon die in de Dag des Oordeel gelooft en toch niet handelt.”

Abu Dharr weende nederig en zei:  “Allah’s Apostel, geef mij raad!”

“Ik adviseer u om Allah te vrezen, want dat is het hoofd van alle religie.”

“Allah’s Apostel, verhoog mij!”

“Lees de Heilige Koran. Het is licht voor u op aarde en een herinnering van de hemel.”

“Allah’s Apostel, verhoog mij!”

“Houd van de armen en zit met hen.”

Op weg naar Tabook

Vele jaren gingen voorbij. De moslims werden één natie met  één regering. Ze behaalden overwinning op de ongelovigen en de Joodse vijanden. De Arabische stammen voerden Allah’s religie in. Onze Meester Muhammad (s) was Allah’s Apostel voor alle mensen.

Onze Meester Muhammad (s) kondigde Jihad aan en beval de moslims om voor te bereiden voor Tabook, in het noordelijke deel van het Arabische schiereiland. De moslims waren verrast om te horen over de aankondiging van de Profeet om de grootste macht op de wereld uit te dagen.

De huichelaars spraken: “Hercules zal ze verslaan met zijn enorme legers.” De huichelaars hielden hun bijeenkomst altijd in het huis van de joodse Suailim. Ze probeerden altijd  de moslims te ontmoedigen om naar Tabook te gaan. De Profeet (s) wilde Madina verlaten. Hij wist dat de huichelaars daar zouden blijven. Hierop besloot hij om zijn neef Ali bin Abu Talib aan te wijzen (a), de held van Islam, de opvolger van Madina, die de complotten van de huichelaars zou verijdelen. De huichelaars waren ontevreden met Ali en daarom verspreidden zij onder de mensen de volgende leugen:  De profeet benoemd Ali om achter te blijven omdat hij hem een ​​hekel aan hem heeft.

Om de waarheid aan de mensen te tonen, nam Ali zijn zwaard en volgde de Profeet(s).
Hij vond hem in een gebied genaamd al-Juruf buiten Madina. Hij vertelde hem over de woorden van de huichelaars: “Allah’s Apostel, de huichelaars beweren dat u mij hebt benoemd omdat ik u niet beval.”

Onze Meester Muhammad (s) glimlachte en zei: “De huichelaars hebben je leugens verteld. Ik heb je aangewezen om de opvolger van Madina te zijn om mensen te beschermen tegen hun sluwheid. Ali, ik wil je accepteren om mijn broer te zijn zoals Harun was  voor Musa, maar er zal geen Profeet na mij zijn.”

Ali antwoordde: “Ja, ik accepteer, Apostel van Allah.”  Met deze woorden keerde Ali blij en tevreden terug naar Medina.

Wees Abu Dharr!

De Profeet (s) ging verder met het leiden van het Islamitische leger door de woestijn. Sommige moslims met zwak geloof bleven achter of keerden terug naar Madina.

Sommigen van hen zeiden tegen onze meester Mohammed (s): “Een persoon is achter gebleven.” Maar Allah’s Apostel zei altijd: “Verlaat hem. Als hij goed doet, zal Allah hem bij u brengen.” Halverwege sprak een moslim: “Allah’s Apostel, Abu Dhar is achtergebleven.”
De Profeet (s) sprak: “Verlaat hem . Als hij goed doet, zal Allah hem leiden naar jou.”
Het  Moslim leger ging verder de woestijn in.

Abu Dharr reed op een zwakke kameel. Deze kameel was niet in staat om te lopen. Hiermee bleef Abu Dhar geleidelijk achter het Islamitische leger. De kameel knielde, hij was niet in staat om nog een stap zetten. Abu Dharr raakte verdrietig en dacht na over een manier om de Profeet (s) te kunnen volgen. hij stelde zich in gedachten een aantal vragen:

“Zal ik naar Medina keren of zal ik gaan lopen?”

Maar Abu Dharr dacht er niet aan om terug te gaan naar Medina. Hij was een goede gelovige. Hij hield van onze Meester Muhammad (s). Daarom besloot hij de sporen van het Islamitische leger te voet te volgen.

Abu Dharr begon zijn reis dwars door een hete woestijn. Hij verbruikte al zijn voedsel en water en bleef doorstappen. Zijn sterke geloof in Allah en zijn liefde voor de Profeet (s) werden zijn drijfveer om niet te stoppen.

Hij kreeg dorst en zag water in een put, in een rots. Hij proefde en vond dat het fris was. Hierop wilde hij meer water drinken. Echter verhinderde hij zich van drinken. Hij zei de volgende woorden:  “Ik zal niet drinken totdat mijn geliefde Apostel  van Allah drinkt.”
Hij vulde zijn water-huid met water en ging verder te voet door de woestijn.

Abu Dharr liep dag en nacht om het Islamitische leger te bereiken. Het leger kampeerde op strategische gebieden om te rusten ’s nachts. Toen de volgende dag de zon, zagen sommige moslims een man in de verte. Zij vroegen zich af en zeiden tegen de Profeet (s): “Allah’s Apostel,  die man loopt helemaal alleen.”

Onze Meester Muhammad (s) zei: “Dat is Abu Dharr!”

De moslims keken zorgvuldig. Toen hij dichterbij kwam tot hen, riepen ze: “Bij Allah, hij is Abu Dharr!” De Profeet (s) zag de tekenen van vermoeidheid en dorst op zijn gezicht en sprak: “Geef hem water, hij heeft dorst.” Maar Abu Dharr liep naar de Profeet (s) met de water-huid om het water te gieten voor de Apostel van Allah. De Profeet (s) vroeg hem: “Abu Dharr, waarom ben je dorstig terwijl je water bij je hebt?”

Abu Dhar zei: “Allah’s Apostel, ik zag regenwater in een put in een rots. Ik proefde het. Het was koel, en schoon water, maar ik zei dat ik het niet zou kunnen drinken, totdat Allah’s Apostel het dronk.”

De Profeet (s) zei vriendelijk: “Abu Dharr, moge Allah genade hebben met u! U zult alleen wonen, alleen sterven en alleen de Paradijs ingaan. Sommige Irakezen zullen blij zijn voor u – ze zullen uw lichaam wassen, huilen voor u , bidden voor u en u begraven.”

Tradities van de profeet

Onze Meester Muhammad (s) overleed. De moslims waren verdrietig om deze droevige gebeurtenis. De droefenis dat Abu Dharr voelde was vele malen groter. Hij was loyaal aan Allah’s Apostel (s). Hij had al zijn tradities opgeslagen en maakte deze tot een lamp om zijn weg te kunnen verlichten.

Abu Dharr’s geloofde diep in het kalifaat zoals hij geloofde in het Profeetschap.
Hij beschouwde het als een Goddelijk recht. Allah, de verheerlijkste, koos de meest waardige uit zijn rechtvaardige slaven. In de tussentijd hoorde hij de Profeet (s) zeggen tegen Ali:

Ali, accepteer je  om mijn broer te zijn als Harun Musa’s broer was? Maar er zal geen profeet na mij zijn.” Bij Ghadeer Khum, Abu Dhar hoorde de Profeet (s) zeggen tegen alle moslims: “Hij wiens leider ik ben,  Ali is zijn leider. Allah steunt diegene die Ali steunt … Ali is met rechtvaardigheid en rechtvaardigheid met Ali.”

Wij betreuren het dat sommige moslims zulke tradities zijn vergeten toen de Profeet (s) het wereldse leven verliet. Terwijl zijn neef en regent Ali bin Abu Talib (a) bezig was met zijn grootste verlies, hielden de moslims een vergadering en kozen Abu Bakr.

Vele metgezellen waren hierop tegen. Salman al-Farsi, over wie de Profeet (s) zei: “Salman is een van onze Ahloel Bait. Abadah bin al-Saamit, Abu al-Haitham al Taihan, Huthaifa, Ammar bin Yasir waren van hen, ook.” Fatima al-Zahra, de meesteres van alle vrouwen van de wereld, was ontevreden hiermee. Ze was boos. Na slechts enkele maanden, werd Imam Ali gedwongen om Abu Bakr te aanvaarden als kalief in het belang van de Islam. Hiermee aanvaardde de metgezel Abu Dharr hem ook.

Abu Dharr dacht altijd over het belang van de Islam en moslims. Met deze instelling ging hij naar de velden van de Jihad om de Islamitische regering te verdedigen. In de tussentijd lanceerden de Romeinen militaire aanvallen tegen de grenzen van de Islamitische staat. Abu Dharr koos in deze situatie ervoor om met veel metgezellen te vechten aan de fronten.

De eerste kalief was Aboe Bakr, hierna volgde kalief Omar bin al-Khattab hem op. Abu Dharr bevond zich in Shaam (Syrië) waar hij met zijn moslimbroeders de strijd voerden. Na de dood van Umar bin al-Khattab volgde kalief Uthman hem op. Deze derde kalief volgde niet de omgangsvormen van de Profeet(s) en de metgezellen op. Hij bracht zijn familieleden en benoemde hen in de kantoren van de overheid. Hij begon met het vullen van hun zakken met geld van de moslims. Hij bracht Marwan bin al-Hakam, die onze meester Mohammed (s) had ontslagen en maakte hem een echte heerser van de staat. Dit beleid van Uthman zorgde voor veel rumoer en geklaag vanuit de mensen. Uit Kufa vormde zich een delegatie dat naar de kalief ging om hun beklaag te doen.  Zij vertelden hem dat hun heerser altijd dronken was van alcohol en dat hij altijd dronken de moskee betrad en hier kwam braken.  De kalief deed echter niets voor deze mensen en koos ervoor om het tegenovergestelde te doen. Hij misbruikte de delegatie en verwierp hen, waaronder enkele metgezellen van de Profeet(s).

Op een dag adviseerde Abu Dharr Uthman met de volgende woorden:

“Volg op zijn minst de manieren van uw voorgangers, dit zodat, niemand u zal tegen spreken.” Uthman koos ervoor om dit niet aan te nemen en schold Abu Dharr uit in het bijzijn van andere:  “Geef mij advies! Wat zal ik met deze leugenaar van een  Shaikh doen?  Zal ik hem slaag, gevangen neme, doden of verbannen uit het land van de Islam?”

Abu Dharr en de moslims voelden pijn door de beschuldigingen van de kalief.  Zij herinnerden zich de traditie van onze Meester Mohammed(s) : Er is niemand onder de hemel of op aarde dat meer waarheidsgetrouw is dan Abu Dharr. Helaas ging Abu Dharr uit de vergadering van de kalief. Hij herinnerde zich wat er met hem gebeurd is de laatste twintig jaar. Hij herinnerde zich de dag waarop Allah’s Apostel de moskee  binnenstapte en hem slapend vond. Hij wekte hem en zei: “Slaap nooit in de moskee.”  Daarna vroeg de Profeet(s) hem: “Wat gaat u doen als ze je op een dag uit de moskee zetten?”

Abu Dharr antwoordde hierop: “Ik zal naar Shaam vertrekken, het land van de Jihad.”

De Profeet (s) zei: “Wat als ze je ontslaan dan?”

“Ik kom terug naar de moskee.”

“ En wat als ze je eruit sturen?”

“Ik zal mijn zwaard grijpen en hen ermee steken.”

De Profeet (s) zei:  “Zal ik u naar een betere idee leiden?”

“Ja, Allah’s Apostel.”

De Profeet (s) zei: “Luisteren en gehoorzamen.”

Naar Shaam (Syrië)

De derde kalief besloot Abu Dharr te  verbannen naar Shaam. Abu Dharr arriveerde in Shaam, waar Mu’awiyah zijn soldaten beval om hem te verbannen naar een gebied in het zuiden van Libanon, nu bekend als Jabal Amil.

Abu Dharr begon mensen de tradities van de Profeet(s) te leren en zijn gedrag over te dragen. Hij veroordeelde de heersers corruptie, de onderdrukking ten opzichte van mensen en hun luxe. Hij las altijd Allah’s woorden: “En voor degenen die goud en zilver oppotten en dus niet door te brengen in de weg van Allah, kondig hen een pijnlijke straf aan.”

Mu’awiyah koos ervoor om op een slinkse wijze Abu Dharr te verleiden met geld om hem te laten zwijgen.  Hij beval zijn soldaten om hem naar Damascus te brengen. Ondertussen stuurde hij hem ​​veel cadeaus.  Als reactie hierop gaf de grote metgezel ze door aan de armen. Daarna liep hij langs Mu’awiyah paleis en zei: “Allah vervloek degenen die genieten van het goede, maar niet de toepassing ervan . Allah vervloek diegene die voorkomen dat mensen gruwelijke daden plegen, maar ze zelf wel begaan.”

Mu’awiyah beval zijn bewakers Abu Dharr te arresteren. De bewakers brachten hem geketend voor het oog van Mu’awiyah waar hij tegen hem zei: “Allah’s vijand en de vijand van Allah’s Apostel(s), dagelijks passeert u lang onze paleis en schreeuwt u. Ik zal Amirul Mumineen, Uthman toestemming vragen om je te doden.” Toen wendde  Mu’awiyah zich tot zijn bewakers en zei: “Breng hem naar de gevangenis.”

Naar Medina

Mu’awiyah stuurt de kalief een brief waarin hij vertelt over de gebeurtenissen met Abu Dharr. De kalief beviel Mu’awiyah  om Abu Dharr naar Medina  terug te sturen en hem te pijnigen. De moslims die het nieuws hoorden, verzamelden zich om de metgezel van de Profeet(s) te kunnen zien.

Abu Dharr reed op zijn kameel terwijl enkele onbeschofte mensen deze kameel leidden.  Ze  hielden geen rekening met Abu Dharr’s ouderdom, zwakte en vermoeidheid tijdens deze reis. Aangekomen in Madina  was hij in slechte staat. Abu Dharr ging naar de kalief waar hij op het punt stond om de grond te raken door de intense zwakte en vermoeidheid die hij voelde. Abu Dharr sprak:  “Vervloekt zij gij!  Heb je niet de Apostel van Allah gezien? Zijn uw acties als de zijne? Je viel me aan zoals een tiran dat zou doen!”  Met een intense toon antwoordde Uthman: “Verlaat ons vaderland.”  Droevig antwoordde Abu Dharr: “Waarheen?”

“Waar je maar wilt.”
“Zal ik naar Shaam gaan, het land van de Jihad?”
“Nee! Je zult niet terug keren naar Shaam!” riep Uthman uit.
“Zal ik naar Irak gaan?”
“Nee!”
“Zal ik naar Egypte vertrekken?”
“Nee!”

Abu Dhar zei treurig hierop: “Dus… waar moet ik dan heen?”
“Naar de woestijn!”
“Zal ik naar Najd woestijn gaan?”
“Nee! naar het verre oosten, naar al-Rabathah!”

Abu Dharr schreeuwde hierop:  “Allah is groot! Allah’s Apostel(s) was eerlijk toen hij me vertelde hierover!”
Uthman vroeg hem: “Wat heeft hij tegen je gezegd?”
De oude metgezel antwoordde: “Hij vertelde me dat mijn verblijf in Mekka en Medina zou worden tegengewerkt en dat ik zou sterven in al-Rabathah en dat sommige Irakezen, op hun weg naar al-Hejaz, mij zouden begraven.”

Al-Rabathah

Abu Dharr hield van  Madina omdat de Profeet(s) en de  Moskee er waren, de heilige plaatsen die hem dicht in het hart zaten. Hij hield van Mekka omdat Allah’s Heilig Huis er staat en van Shaam, het land van de Jihad. Hij had echter een hekel aan al-Rabathah omdat het hem deed herinneren aan het aanbidden van de afgoden. De kalief verbande hem echter naar dat gebied. In de tussentijd had de kalief Marwan bevolen om hem mee te nemen en te voorkomen dat de moslims hem zouden aanschouwen.

De moslims waren bang voor de macht van de kalief.  Op slechts een paar metgezellen na die afscheid van hem  durfden te nemen. Dit waren Ali bin Abu Talib (a), zijn broer Aqeel al-Hasan en al-Husain (de profeet kleinzonen) en de grote metgezel Ammar bin Yasir.

Imam Ali zei  tijdens zijn afscheid:  “Abu Dharr, u bent heel boos geworden. De mensen maken zich zorgen over hun religie, en u maakt zich zorgen over uw religie. Dus laat ze zich zorgen maken . Ze zijn in de behoefte van wat u ze heeft verhinderd. En u heeft  geen behoefte aan wat ze u hebben verhinderd. Morgen zult u weten wie de winnaar zal zijn.”

Aqeel zei: “U weet dat we u mogen en u mag ons. Vrees Allah, omdat de vrees voor Allah de enige redding is. En wees geduldig, want geduld is vrijgevigheid.”

De kleinzoon van de Profeet(s) al-Hasan bin Ali  zei:  “Oom, wees geduldig totdat u uw Profeet (s) ontmoet. Hij zal blij zijn met u.”

Al-Husain sprak: “Oom, vraag Allah om u geduld en  overwinning te schenken.”

Terwijl Ammar bin Yasir in tranen was, zei hij: “Moge Allah degenen niet amuseren die jou irriteren. En hij zal degenen niet veilig stellen, die u onveilig hebben gemaakt. Bij Allah! Als je hun wereld wilt, zullen ze je veiligheid geven. En als je tevreden met hun acties bent, zullen ze van je houden.”

Abu Dharr huilde en zei: “Mensen van het Huis van Genade, moge Allah genade hebben met u allen. Als ik jullie zie, dan herinner ik me de Apostel van Allah.”

Abu Dharr, zijn vrouw en zijn dochter ging naar al-Rabathah woestijn. Hij herinnerde zich de woorden van onze Meester Mohammed(s): “Abu Dharr, moge Allah genade hebben met u. Je zult alleen wonen, alleen sterven,  alleen opstaan ​​uit de doden en alleen de Paradijs ingaan.”

Share.

About Author

Ahlalbayt4iedereen

Wij zijn tot uw dienst! Deel deze informatie a.u.b. met uw vrienden en familie. Heeft u een vraag, opmerking of een klacht? Stuur ons via de contactformulier een email. Wij zullen het snel beantwoorden, Dank U!

Comments are closed.